H.Lambertuskerk
De Cantorije
sperator
Geschiedenis
sperator
Robustelly Orgel
sperator
St. Catharinagilde
sperator
De Patroon

Lambertuskerk adres

Bouw van de 19de-eeuwse Lambertuskerk

De constante in de geschiedenis van de Helmondse parochie is de wijding van de kerk aan St. -Lambertus geweest en niet het kerkgebouw zelf. In de loop der eeuwen hebben de erediensten immers plaats gevonden in minstens een drietal parochiekerken, terwijl in de tijd van het verbod op de rooms-katholieke eredienst werd uitgeweken naar ruimten bij particulieren in en rond Helmond.De oudst bekende parochiekerk was gelegen buiten de stad nabij het middeleeuwse domeingoed in De Hage. In de jaren 1454-1456 zou deze kerk, waarvan geen afbeeldingen bekend zijn, vervangen worden door een kerk gelegen binnen de vesten van de stad ter hoogte van de huidige Lambertuskerk. De voornaamste reden voor de verplaatsing was het gegeven dat voor de bewoners van de stad, die rond het midden van de 15e eeuw in aantal verre het aantal bewoners in het oude domeingebied overschreden, de afstand tot de parochiekerk met name in perioden met veel neerslag bezwaarlijk was.Daarnaast zal ook zeker het ontbreken van een kerk in de sterk ontwikkelde stad als een gemis zijn aangevoeld. Hoewel de financiële basis voor de nieuwe kerk reeds voor een deel werd gelegd in de twintiger jaren van de 15e eeuw bij het opstellen van het testament van Jan van Berlaar in 1422, zou eerst in de jaren 1454-1456 de bouw van de stadskerk verwezenlijkt worden. Van deze eerste parochiekerk binnen Helmonds vesten zijn een aantal afbeeldingen bekend waarvan de oudste stamt uit het midden van de 16e eeuw. Het betreft hier een afbeelding van de kerk in opstand voorkomende op de stadsplattegrond van Helmond vervaardigd onder leiding van de kartograaf Jacob van Deventer in opdracht van de Spaanse koning Philips II. In het navolgende zal aandacht besteed worden aan de schuurkerk, de naasting van de middeleeuwse kerk door de katholieken in 1800 en de bouw van de huidige Lambertuskerk zoals die in de jaren 1856-1861 werd verwezenlijkt.

De schuurkerk

In verband met de godsdiensttwisten en de politieke gebeurtenissen werden de katholieken na het sluiten van de vrede van Munster in 1648 gedwongen hun kerken te verlaten en af te staan aan de protestanten. Hiermee werd indirect de basis gelegd voor de schuurkerken, die met name in het vierde kwart van de 17e eeuw opdoken. Het betreft hier katholieke kerken in de gecamoufleerde vorm van schuren en in de steden vaak van woonhuizen. Torens, speel- en uurwerken waren verboden, het gebouw mocht de omliggende bebouwing niet te boven gaan en niets in het uiterlijk mocht de kerkelijke functie verraden.Eenmaal opgericht behoefden sinds 1721 alle gewenste veranderingen aan de Noordbrabantse schuurkerken de goedkeuring van de Staten-Generaal, die daartoe adviezen van de plaatselijke officieren inwonnen. Wanneer een kerkbestuur zich niet aan deze bepaling hield riskeerde het straffe sancties. Zo werden de schuurkerken van Lommel, Hilvarenbeek, Boxtel en Wouw gesloten in respectievelijk 1728, 1752, 1752 en 1755 omdat men de hand had gelicht met het nakomen van genoemde bepaling 1.Ook Helmond had zijn kerkschuur. Deze was gelegen in de Kerkstraat en wel op de plaats van de tegenwoordige N.H.-kerk. Zoals dat ook bij andere schuurkerken het geval was betreft het een gebouw van weinig harmonieuze afmetingen. De lengte bedroeg ongeveer 36 meter bij een plafondhoogte van ongeveer drie meter. Helaas zijn in de loop des tijds alle schuurkerken in Noord-Brabant afgebroken. In Helmond gebeurde dit in 1808, nadat reeds in september 1805 door de Helmondse katholieken de oude Lambertuskerk weer in gebruik was genomen. Afbeeldingen van de Helmondse schuurkerk zijn niet bekend. Van het interieur weten wij het volgende. In de kerk bevonden zich een hoofdaltaar gewijd aan de heilige Lambertus en twee zijaltaren gewijd aan Maria en Josef. In het midden van de kerk stonden aan de noordzijde 18 en aan de zuidzijde 21 banken opgesteld, terwijl er aan de noordkant tegen de muur nog 8 hele en 14 halve banken en tegen de zuidmuur 24 halve banken waren geplaatst 2. Op sommige dagen was het aantal zitplaatsen echter te gering. Dit blijkt althans in 1784-85 als pastoor en kerkmeesters zich tot de Staten-Generaal wenden met het verzoek om toestemming de kerk te vergroten. Hierop wordt door Den Haag aan de drossaard van Helmond, D.G. Wesselman, gevraagd om advies uit te brengen. Het advies, waarvan een minuut in het Wesselmanarchief bewaard is gebleven, geeft een indruk van de mogelijkheden en vooral de onmogelijkheden van de Helmondse kerkschuur 1.Zo blijkt de kerk te klein te zijn voor de 2100 parochianen, zodat dikwijls vele der kerkgangers om de kleinheid deshalve daar buiten moeten blijven en zich gedurende den godsdienst in de openlucht onthouden, hetwelk voor die luiden veel ongemak en voor de gereformeerde meer aanstoot geeft, dan wel een grotere uitgestrektheid dier huysinge doen zouden. Het is om deze reden, dat de schout adviseert om in te stemmen met het verzoek de voor- en achtergevels van het gebouw te verhogen om daarmee grotere binnenmaten te verkrijgen. De oorspronkelijke hoogte van de muren, namelijk 1 0 Rijnlandse voet, was nauwelijks in proportie met het oppervlak van het gebouw, dat daarmee erg bedompt was. Zozeer was dit zelfs het geval, dat voor 't vervolg te dugten was hetzelfde ongemak, gelijk nu van tijd tot tijd gebeurd, namelijk dat enige luiden van de vergaderde grote gemeente en van die, die van buiten komen om den godsdienst aldaar bij te wonen, door benauwdheid flauw en in onmacht kwamen te vallen en uit de kerkhuysinge moesten werden gedragen. Op dit punt aanbeland in zijn advies houdt Wesselman de hoge overheid voor dat zij zelf onderscheid had aangebracht tussen de kerkschuren gelegen op het platteland en die in de steden, in die zin dat op 18 juli 1771 was bepaald, dat de kerken op het platteland op schuren moesten gelijken en die in de steden op gewone huizen. Vandaar dat te Helmond het optrekken van de muren niet in strijd zou zijn met de bepalingen aangezien daarmee bereikt zou worden dat de kerkschuur in een kerkhuis zou veranderen. Wel werd in deze de verplichting gehandhaafd, dat de ramen vierkant en niet ovaal of met gebogen lijnen zouden worden uitgevoerd. Het verzoek om na verbouw het dak met pannen te mogen bedekken kon worden ingewilligd daar dit slechts een handhaving van de reeds bestaande toestand betekende. Ook ten opzichte van het bepleisteren van het dakgebinte was dat het geval. Tenslotte adviseerde Wesselman nog positief ten aanzien van het verzoek om in de kerk een orgel te mogen plaatsen omdat dit elders ook reeds veelvuldig was toegestaan.Na de verkregen goedkeuring zijn, zoals blijkt uit de kerkrekeningen, inderdaad de nodige werkzaamheden aan het gebouw uitgevoerd. Lang heeft men hier echter niet meer van geprofiteerd, daar de oude kerk reeds in 1800 genaast en in 1805 opnieuw door de katholieke bevolking van Helmond in gebruik werd genomen. Pas in 1808 zou overigens de kerkschuur, inmiddels grotendeels ontmanteld, worden afgebroken om plaats te maken voor de bouw van een hervormde kerk.

Vergroting van de bestaande kerk of parochiesplitsing

Na de eerste initiatieven uit de jaren 1851-1852 blijft het langere tijd stil in de archieven althans waar het de kerkbouw betreft. Tussen de alinea's door lezend echter krijgen wij het vermoeden dat men tussen 1852 en 1855 zich heeft afgevraagd of het niet verstandiger zou zijn om in plaats van de bestaande kerk te vergroten over te gaan tot het splitsen van de parochie tot twee afzonderlijke delen ieder met een eigen pastoor. Een andere mogelijkheid, die in overweging werd genomen, was het oprichten van een bij kerk behorende tot de bestaande Lambertuskerk. Indien de keuze zou vallen op een parochiesplitsing dan zou de nieuwe kerk gebouwd moeten worden op de Steenweg of bij het Binderseind. Pastoor Spierings heeft op een bepaald moment - wanneer weten wij niet - deze modellen aan aartsbisschop Zwijsen voorgelegd, die er echter korte metten mee maakte. Volgens Spierings' eigen woorden namelijk deed de aartsbisschop de voorstellen af met: Neen mijnheer Spierings, dat nooit.Indien Helmond eeneparochie was zoals Tilburg, waar men groote en genoegzaam van de kom dergemeente verwijderde uithoeken hadden, geschikt om ene afzonderlijke parochie op te richten, zou ik geen ogenblik aarzelen om tot Uw voorstel toe te treden. Maar nu in de gegevene omstandigheden, wijl Helmond bijna geheel in ene kleine ruimte is geconcentreerd, zoudt gij met hetzelve te willen verdelen, enen twistappel uitwerpen, dien noch gij noch Uwe opvolgers ooit zoudt kunnen oprapen 1. Het punt waarom het hierbij in feite draaide was de vermoedelijke groei van de Helmondse bevolking in de toekomst. Kennelijk oordeelde de aartsbisschop het aantal katholieken in Helmond op dat moment in ieder geval niet groot genoeg om tot een verantwoorde splitsing van de bestaande parochie over te gaan. Nu werd Helmond in de vijftiger jaren van de 19e eeuw bijna uitsluitend door katholieken bewoond. Het overheidsoptreden vanaf 1648 tegen het katholicisme had nauwelijks enig effect gesorteerd. Zo kon de intolerante houding van de overheid niet voorkomen, dat er in wezen sprake is geweest van een continue bezetting van het Helmondse pastoraat. Het toestaan van schuurkerken vanaf het vierde kwart van de 17e eeuw is een duidelijk teken dat men het verbod op de uitoefening van de katholieke eredienst niet heeft kunnen waarmaken. In wezen doet de situatie van rond 1797, toen door de komst van de Fransen de vrijheid van godsdienst werd veilig gesteld, wat ridicuul aan; slechts enkele protestanten maakten de dienst uit in een bijna totaal katholieke gemeenschap. Ook de verhouding van het getal der beide bevolkingsgroepen ten opzichte van de capaciteit van hun kerken miste elke verhouding. Een handjevol protestanten (in 18 10 - dus enige jaren na de naasting van de kerk - waren dit er 76), waaronder niet de minst bedeelde inwoners van Helmond, beschikte over de grote kerk, terwijl de kerkschuur niet genoeg plaats kon bieden aan de meer dan 2000 katholieken, die rond 1800 in Helmond werden aangetroffen. Deze scheve verhouding had een nadelig effect op het onderhoud van de kerk, daar het handjevol protestanten niet in staat was om de middelen op te brengen om de grote kerk in goede staat te onderhouden. Hier ligt dan ook de reden waarom na de formele naasting van de kerk door de katholieken in 1800 ruime tijd nodig was om dit gebouw op essentiële punten te restaureren en via de nodige aanpassingen geschikt te maken voor de katholieke erediensten. Bezien wij de getalsverhouding katholieken - protestanten nader. Op het moment van de volkstelling van 18 10 woonden er te Helmond 2454 katholieken, 69 hervormden en een lutheraan. De groei van de bevolking in de 19e eeuw heeft nauwelijks invloed gehad op deze verhouding. In de 1 -ste helft van die eeuw nam de bevolking gestaag toe.
De toename van de totale bevolking over de periode 1800-1852 bedraagt meer dan 220%. Het aandeel van de protestantse bevolking is absoluut gezien te verwaarlozen, hoewel deze groep eveneens meer dan verdubbelde. Uit deze cijfers blijkt, dat de overgrote meerderheid van de Helmondse bevolking katholiek was en een snelle groei kende. Tegen deze achtergrond bezien wordt de discussie over vergroting van de kerk en parochiesplitsing begrijpelijk. Zoals gezegd viel de keus aan monseigneur Zwijsen niet moeilijk. Ook de meerderheid van het kerkbestuur koos voor de vergroting van de Lambertuskerk. Doch een lid van het bestuur en wel de heer G. J. Coovels ging in deze keuze niet mee. Hij was voorstander van parochiesplitsing en wel zo fervent, dat hij besloot om meer dan twee jaar de vergaderingen van het kerkbestuur niet meer bij te wonen. Deze afwezigheid bleef bij de kerkelijke overheid kennelijk niet onopgemerkt. Bij de jaarlijkse kerkvisitatie op 13 oktober 1857 werd door de deken opgemerkt, dat hij de indruk kreeg dat de heer Coovels geen onderdeel meer uitmaakte van het bestuur, waarop door een eenvoudig zwijgen werd geantwoord. Tenslotte zou Coovels bij het gereedkomen van de nieuwe kerk in augustus 1860, naar wij vermoeden moe gestreden en gedesillusioneerd, als bestuurslid terugtreden.Th. Molkenboer en het definitieve bouwplan.Toen zowel aartsbisschop als deken zich voor het vergroten van de bestaande kerk hadden uitgesproken raakten de zaken in een stroomversnelling. Eind 1855 begin 1856 werd een aantal plannen besproken, die waren opgesteld door Theo Molkenboer uit Leiden. De figuur van deze in 1796 te Rijnsaterwoude geboren architect is niet onomstreden waar het zijn ontwerpen betreft. Rosenberg, die de 19e-eeuwse bouwkunde in Nederland inventariseerde, noemt hem de voornaamste kerkelijke bouwmeester uit het midden van de 19e eeuw 10. Voor Brom was het gegeven dat deze architect in zowel neoclassicistische alsook neogotische en neoromaanse stijl werkte geen aanbeveling. Verder zegt Brom over Molkenboer nog: Deze verwende aannemer, voor wie de naam kunstenaar een beetje gewichtig zou klinken, was zo volstrekt zonder kenmerken, dat hij gedwee het recht van de waterstaat volgde, terwijl hij elke wens bij zijn omgeving even bereidwillig toegafen Hij zou stalen van alle stijlen aan een gebouw opgestapeld .hebben, wanneer hij er zijn dagelijks brood en de eeuwige zaligheid mee winnen kon 11. Het idee bekruipt ons dat met het lezen van deze citaten meer achterhaald wordt van de denkbeelden van de heer Brom dan van de bouwactiviteiten van Molkenboer. Rosenbergs geluid, dat Molkenboer de voornaamste architect uit het midden van de 19e eeuw was lijkt in ieder geval in kwantitatieve zin juist. Tientallen kerken staan op zijn naam waarvan wij hier zouden willen noemen de neogotische kerken van het Onbevlekt Hart van Maria te Amsterdam (1852-1854), de Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Overveen (1855-1856), de St. Petrus' Banden te Roelofarendsveen (1856), de Onze-Lieve-Vrouw ten Hemelopneming te Vogelenzang (1856-1861) en de Onze-Lieve-Vrouw Geboorte te Rijpwetering (1860). Met het bouwplan, dat Molkenboer voor de Helmondse Lambertus ontwierp kreeg deze stad een van de eerste grote neogotische kerken van Nederland. Het ontwerp, dat overigens helaas niet bewaard is gebleven, voorzag in een driebeukige kruisbasiliek met een kooromgang. De kruisribgewelven werden, geheel naar de mode van die tijd, uitgevoerd in gestucadoord hout gedragen door veelhoekige bakstenen pijlers. Over de kruising is een stergewelf aangebracht. Het enige element, dat van de 15e-eeuwse kerk gehandhaafd bleef was de toren, die geheel ommanteld en aanzienlijk verhoogd werd.Het door Molkenboer opgestelde bouwplan werd met de door het kerkbestuur goedgekeurde bestekken en begroting begin 1856 aan de aartsbisschop voorgelegd. Monseigneur Zwijsen reageerde gematigd positief: ... ik moet de betuiging afleggen, dat men bij het vaststellen van dat plan zoveel van het kerkgebouw heeft gemaakt, als er volgens mijn oordeel van gemaakt kan worden. Zwijsen is bevreesd dat door de laagte van het plafond ... het inwendige der kerk een zeer gedrukt voorkomen zal hebben en alzo een mismaakt geheel zal uitmaken. Immers, niets is er hetgeen meer een kerk ontsiert, dan de drukking van gewelf en plafond. Het zou mijns inziens te betreuren zijn, dat ene zo aanzienlijke gemeente als Helmond zich op den duur met zulk ene kerk zou moeten vergenoegen, te meer wijl allerweg in het bisdom schone kerkgebouwen verrijzen ". Gezien deze opmerkingen vermoeden wij, dat aan de aartsbisschop slechts de eerste fase van het bouwplan was voorgelegd. Dit zou betekenen, dat het psychologisch effect van een meer-faseplan, waarover wij hiervoor reeds spraken, uitstekend werkte; als eenmaal de eerste fase, namelijk het verhogen en vergroten van het koor vanaf het kruis gereed was, zou het geheel zo weinig harmonieus zijn dat slechts het vergroten van de gehele kerk tot een voor ieder acceptabel resultaat zou leiden.Uitvoering van het bouwplan en de financiering. Zoals gezegd waren de zaken sinds 1856 in een stroomversnelling geraakt. Op 10 september van hetzelfde jaar begaven om 1 1.00 uur het kerkbestuur en de architect zich naar het lokaal van de openbare school alwaar de aanbesteding in het openbaar zou plaatsvinden. Alvorens men hiertoe over kon gaan tekende een der aanwezige aannemers protest aan tegen de naar zijn mening te vroeg gestelde opleveringsdatum van 1 december 1857. De ervaren Molkenboer redde de situatie door het kerkbestuur ervan te overtuigen, dat het hier een manoeuvre betrof slechts bedoeld om andere aannemers af te schrikken. Het enige Helmondse 'consortium', dat had ingeschreven onder de namen van de timmerlieden Zwegers en Vermeulen en de metselaar Van Nunen, werd door pastoor Spierings van verdere mededinging afgepraat aangezien bij het kerkbestuur de mening bestond dat de ervaring en het arbeidspotentieel van deze heren ontoereikend zouden zijn. Uiteindelijk werd het werk aanbesteed bij H.M. Verhoeckx uit Heusden, die reeds de kerken van Erp, Gemert en Haaren op zijn naam had staan en bezig was met de kerken van Mierlo, Roelofarendsveen en Overveen bij Haarlem. Uit het kerkbestuur was inmiddels een bouwcommissie gevormd bestaande uit de heren Van Griensven, Van Hoeck en Cuypers. Als opzichter van Rijkswaterstaat werd J. van Mosselveld door het ministerie van R.K.-Eredienst opgedragen om tijdens de uitvoering van het werk toe te zien op het naleven van de bestekken en dergelijke. Het is aan een bewaard gebleven rapport van Van Mosselveld, gedateerd 1 1 december 1856, te danken dat wij enigszins zijn ingelicht over de vorderingen van het werk ". Voor medio december waren reeds de fundamenten voor het nieuwe priesterkoor gemetseld, terwijl de twee uiterste steenberen van het kruis aan de kant van het koor al afgebroken waren en men bezig was om de andere steunberen eveneens weg te breken. In bedoelde missive spreekt Van Mosselveld de angst uit, dat indien ook de andere steunberen al zouden worden weggenomen, het risico groot was dat bepaalde gedeelten van de kerk zouden instorten. Hij raadt aan om eerst een schutting in de kerk te plaatsen om daarmee het risico voor kerkbezoekers te verminderen. Verder lag het in de bedoeling om nog aan het einde van 1856 de fundamenten voor de sacristie en de 'biechtkamer' te leggen indien de weersomstandigheden dit zouden toelaten. Op een schetsje gaf Van Mosselveld aan welke steunberen inmiddels verwijderd waren. Het werk vorderde kennelijk gestaag gezien het feit dat op 17 april 1857 door pastoor Spierings, die op dezelfde dag 57 jaar werd, de eerste steen ingemetseld kon worden aan de noordzijde van het nieuwe kruis gedeeltelijk in het eerste contrefort.In juli 1857 werd een begin gemaakt met de realisering van de tweede fase bestaande uit het vergroten van het schip. Het psychologische voordeel, dat men van een twee-faseplan had verwacht, werd bewaarheid. Pastoor Spierings tekende immers in het memoriaal van de parochie op, dat de parochianen bij het zien van het verschil tussen het oude schip en het vernieuwde priesterkoor er zelf op aandrongen totum vetus templum esse destruendum el ad noviformam operis reaedificandum (Dat de oude kerk afgebroken en in de stijl van het nieuwe gedeelte heropgebouwd moest worden). Architect Molkenboer kreeg opdracht een ontwerp met bestek en begroting op te stellen. Op 27 augustus had hij dit gereed en toen de deken eenmaal hier zijn goedkeuring aan had gehecht kon het werk op 1 maart 1858 bij Verhoeckx aanbesteed worden.Met deze tweede fase begon in feite de strijd om de toren. Zoals ook elders in Nederland was deze kwestie, namelijk de vraag wie eigenaar van de toren was, een heet hangijzer. Volgens artikel 6 van de additionele artikelen van de Acte van Staatsregeling d.d. 17 maart 1798 kwam het eigendom van de kerktoren toe aan de gemeente. Met andere woorden wilde het kerkbestuur de gehele kerk vernieuwen dan was zij afhankelijk van de toestemming van het gemeentebestuur. Van die kant echter werd te verstaan gegeven dat men er niet voor voelde om de financiële konsekwenties van het bouwen van een nieuwe toren te dragen. Ook een verzoek om een zekere tegemoetkoming in de kosten werd niet gehonoreerd.

In de gegeven omstandigheden bleef het kerkbestuur niets anders over dan bij de gemeente aandringen op overdracht van het eigendom van de toren. En zo gebeurde. Op 16 juni 1859 deed de gemeente afstand om niet onder voorwaarde dat klokken en uurwerk eigendom van de gemeente zouden blijven en een toegang tot deze gemeentelijke eigendommen gewaarborgd zou worden. Begin 1860 kwam de koninklijke goedkeuring voor de eigendomsoverdracht af waarmee een derde fase aan de verbouwing van de Lambertuskerk kon worden toegevoegd.De redenen waarom het kerkbestuur ook de toren in het totale bouwplan wilde betrekken staan opgesomd in een brief ondertekend door alle leden van het kerkbestuur, minus de heer Coovels, gericht aan monseigneur Zwijsen. Zij schrijven op 13 december 1859 onder meer: Vooreerst, ofschoon de kerk van binnen boven aller verwachting voldoet, is het nochtans, zolang die ongevertredigde toren er aanstaat, van buiten nooit een schoon geheel; en zal de kerk in sierlijkheid en majesteit ontegenzeglijk veel winnen, wanneer de toren volgens 't beraamde plan, verbouwd zal wezen. Ten tweede, de toren is in een zeer gehavende toestand, zodat de noodzakelijke herstellingen aanzienlijke kosten zullen vereisen. Als derde reden noemt het kerkbestuur de uitermate gezonde financiële situatie van de kerk en dat terwijl men reeds meer dan drie jaar aan het bouwen is.